Achtergronden

Wetenschappelijke basis
Het Positief Coachen Programma van Stichting Jeugdsport is gericht op het ondersteunen van ouders die jeugdige sportteams trainen, coachen en/of (bege-)leiden. Het fundament voor het Positief Coachen Programma werd gelegd door de Amerikaanse professor toegepaste onderwijskunde Jim Thompson (Stanford University) met het Positive Coaching Program (Positive Coaching Alliance) en de Australische professor klinische psychologie Matt(hew) Sanders (University of Queensland) met het Positive Parenting Program (Triple P). Ronald Swensson – initiator van Stichting Jeugdsport en vader van drie voetballende zonen (bij ATC’65 in Hengelo) – heeft vervolgens een pragmatische vertaal-slag gemaakt van beide invalshoeken (sportcoach- versus opvoedkundig programma) en het Positief Coachen Programma samengesteld. Verder heeft hij een groot aantal nieuwe sportcoachmodellen en -tools ontwikkeld voor het Positief Coachen Programma op basis van internationaal (sport)onderzoek, gerenommeerde managementliteratuur en zijn langjarige beroepservaring als trainer/coach. Stichting Jeugdsport heeft toestemming om de door Jim Thompson ontwikkelde modellen c.q. tools te gebruiken (zie brief). Het raamwerk (‘Vijf Principes’) voor het Positief Coachen Programma is gedeeltelijk een abstract van de wetenschappelijke basis voor het Positive Parenting Program, alszodanig vindt er geen inbreuk plaats op auteurs- en/of publicatierechten. Verder baseert het raamwerk (‘Vijf Principes’) zich op divers (internationaal) onderzoek zoals is opgenomen in het Zakboekje ‘Achtergronden Positief Coachen’ dat te downloaden is onder het tabje ‘Lesmateriaal Positief Coachen’.

Zelfvertrouwen en competentie
Eén van de meest belangrijke periodes in de ontwikkeling van kinderen is de basisschoolperiode. In deze periode ervaren kinderen verschillende biologische, psychologische en sociale veranderingen die een basis vormen voor het volwassen leven. Naast de thuissituatie, zijn de school, de sportvereniging en de buurt in deze leeftijdsfase erg belangrijk voor kinderen. Zelfvertrouwen en gevoel van competentie (bekwaamheid) staan hierin centraal. Kinderen leren in deze periode hoe het is om ergens goed in te zijn en dus zelfvertrouwen te ontwikkelen, maar kunnen ook juist een gevoel van minderwaardigheid en faalangst ontwikkelen indien ze ergens minder goed in zijn. Aan de ontwikkeling van zelfvertrouwen of faalangst liggen drie factoren ten grondslag. Allereerst hebben kinderen in de basisschoolleeftijd te maken met cognitieve veranderingen. Ze ontwikkelen het vermogen om te reflecteren op eigen succes en falen. Ten tweede wordt de wereld van kinderen vanaf de basisschoolleeftijd sterk vergroot. Naast de thuissituatie, komen ook de buurt, de sportvereniging en andere vrijetijdsactiviteiten in beeld. In deze verschillende contexten komen kinderen in aanraking met leeftijdsgenoten en volwassenen. Ervaringen in een breed scala van contexten kunnen helpen om een kind een gezonde, positieve kijk op competentie te geven en een positieve houding ten opzichte van het leren van en de betrokkenheid bij activiteiten en uitdagingen van het leven. Ten derde worden kinderen ‘blootgesteld’ aan sociale vergelijking en competitie in schoolklassen en in sportteams. Doordat zij in aanraking komen met leeftijdsgenoten, zullen zij hun vaardigheden sneller met elkaar vergelijken. De valkuil die door deze factoren ontstaat, is dat kinderen fouten kunnen zien als ‘falen’ en een aanwijzing van incompetentie en niet als een mogelijkheid om van te leren. Wanneer kinderen geloven dat zij onbekwaam zijn in iets, zullen zij begrijpelijkerwijs ontmoedigd worden en afstand doen van de activiteit of taak. Het is daarom belangrijk dat kinderen inzien dat vaardigheden verbeterd kunnen worden wanneer er meer geoefend wordt. De rol van volwassenen is erg belangrijk. Wanneer zij de gedachtegang van kinderen kunnen veranderen, kunnen kinderen zich positief ontwikkelen.

Positieve effecten
Sport heeft een prominente rol in het leven van kinderen. In Nederland sport circa 80% minstens één keer per week en ongeveer 90% van de frequent sportende kinderen is lid van een sportvereniging. Wanneer aan kinderen wordt gevraagd waarom ze sporten, dan staat ‘plezier’ consequent bovenaan op de lijst met motieven, gevolgd door sociaal contact. Ook worden het verbeteren en aanleren van vaardigheden, spanning en fitheid genoemd als redenen om te sporten. Opvallend is dat ‘winnen’ veel minder belangrijk wordt gevonden door kinderen dan plezier. Kinderen krijgen meer plezier in sport naar mate ze er beter in worden en hun zelfvertrouwen en gevoel van competentie hierdoor groeit, er sprake is van positieve interactie met en steun van medesporters, wanneer de trainer op een positieve manier ondersteuning biedt en/of wanneer het kind tevreden is over de eigen prestaties. Plezier is een voorwaarde dat kinderen blijven sporten! Naast positieve gevoelens over sport, kunnen ook negatieve gevoelens ontstaan. Bronnen van negatieve gevoelens zijn: de relatie met de trainer, druk van ouders, negatieve interactie met medespelers, gevoel dat ze een lage bekwaamheid hebben, angst om te falen en angst voor negatieve evaluatie door anderen. Ook hieruit blijkt dat persoonlijke factoren als gevoel van eigenwaarde en competentie en sociale factoren als respect voor elkaar en de relatie met leeftijdsgenootjes en de trainer, erg belangrijk worden gevonden door kinderen. Jonge kinderen willen dus graag sporten, voornamelijk omdat zij er veel(al) plezier aan beleven. Participeren in sport kan naast het ervaren van plezier echter vele andere positieve effecten op het kind hebben. Het eerste voordeel is (natuurlijk) de verbetering van gezondheid en lichamelijke fitheid. Het tweede voordeel is dat kinderen meer zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde kunnen ontwikkelen doordat ze hun vaardigheden verbeteren. Wanneer kinderen merken dat ze beter worden in een bepaalde sport kan hun zelfvertrouwen groeien. Belangrijke voorwaarde hierbij is wél dat er een klimaat gecreëerd wordt waarin kinderen fouten durven en mogen maken. Voor een kind moet het duidelijk zijn dat een fout niet hetzelfde is als ‘falen’, maar dat zij, door te blijven oefenen en te leren van fouten, hun vaardigheden kunnen verbeteren. Wanneer dit niet gebeurd, kan participeren in sport ook leiden tot een verminderd gevoel van eigenwaarden. Het tweede voordeel is dat kinderen zich op sociaal gebied positief kunnen ontwikkelen. Teamsport leert kinderen samen te werken, vriendschappen worden er geboren en door interactie met volwassenen en leeftijdsgenoten, leren kinderen zich goed te gedragen en hun emoties te beheersen. Sport kan echter ook leiden tot asociaal- en pestgedrag. Denk maar aan voetbalvandalisme, het schelden op tegenstanders, het pesten van medespelers en het op een respectloze manier omgaan met scheidsrechters en trainers. Sport kan tot slot ook het karakter van kinderen vormen. Door te participeren in sport leren sporters mogelijk positieve karaktereigenschappen als integriteit, discipline, respect, verantwoordelijkheid, zelfcontrole en sportiviteit.

Rol van de coach
In alle bovengenoemde ontwikkelingsgebieden speelt de coach een grote rol. Om het zelfvertrouwen van kinderen te vergroten, dient een coach ervoor te zorgen dat kinderen het gevoel krijgen dat ze ergens goed in zijn. Een positieve benadering speelt hierin een grote rol. Wanneer een coach zich richt op wat goed gaat, in plaats van wat fout gaat, wordt een klimaat gecreëerd waarin kinderen fouten mogen maken. Een positieve benadering kan daarnaast ook helpen om sociale vaardigheden te ontwikkelen. Door respectvol met elkaar om te gaan, krijgen kinderen de mogelijkheid om vrienden te maken met leeftijdsgenoten en een goede relatie met de coach op te bouwen. Kinderen zullen op die manier met plezier participeren in de sport. In de morele ontwikkeling van kinderen speelt de coach ook een belangrijke rol. Hij dient het goede voorbeeld te geven en daarnaast de kinderen te wijzen op gewenst en ongewenst gedrag.